English

S. Maria van Uta
Een van de mooiste Romaans-Pisaanse kerken in het zuiden van Sardinië
door Emanuele Atzori


Italiano

barra.gif (1564 bytes)

Geschiedenis
In het oostelijk deel van het dorp, net buiten de bebouwing van het dorp Uta, werd vrijstaand de Romaanse kerk van S. Maria gebouwd. Deze wordt beschouwd als een van de belangrijkste Foto religieuze monumenten van het zuiden van het eiland door zijn karakteristieke architectonische de kerk van Santa Maria structuur. De kerk is zo goed als ongedeerd gebleven van wijzigingen en plundering.
De bouw hebben wij te danken aan de Benedictijner monniken van S. Vittore van Marseille - genaamd Vittorini. Zij kwamen op Sardinië in de 2e helft van de 11e eeuw, waarna ze kerk en grond ten geschenke kregen.In 1079 dankzij de hulp van paus Gregorio VII, die bevriend was met de Marseillaanse abt Ricardo, kregen de Vittorini van de ridder van Cagliari Orzocco (Torchitorio I) de kerk van S. Giorgio e S. Genesio, deze was gelegen in de vlakte van Decimo, onder voorwaarde dat zij daar een "cella" zouden vestigen.
De zoon van Orzoco, Costantino (Salusio II) bevestigde de schenking met een oorkonde op 30 juni 1089, bovendien erkende hij ook nog het prioraat van het verlaten kluizenaarsverblijf van San Sadurru ( San Saturnio ), en schonk de heuvel van Bagharia, de zoutpannen van Quartu, de visvijvers van San Bartolomeo en acht kerken waaronder die van S. Ambrogio van Itta.
De schenking van de acht kerken werd bekrachtigd in 1090 door de aartsbisschop van Cagliari, Ugone die echter S. Ambrogio vermeldde als een tempel in Uta.In een volgende oorkonde in 1119 bekrachtigde aartsbisscop Guglielmo de schenking aan de Vittorini en bevestigde Uta als de vestiging van S. Ambrogio.Daarom zijn wij van oordeel dat de Vittorini zich al in Uta bevonden vanaf het einde van de 11e eeuw en dat zij in de volgende eeuw ( 12e ) de kerk van S. Maria en het klooster hebben gesticht, vermoedelijk omdat de oude tempel ongeschikt was geworden voor hun behoefte.
Men weet geen exacte data, maar de wetenschappers gaan ervan uit dat de kerk van Santa Maria werd gebouwd rond 1140 ( 1135 - 1145 ) door arbeiders van verschillende Foto nationaliteit: Fransen, Toscaners en zelfs Arabieren. De voorgevel bevestiging hiervan zou zich in de absis bevinden, daar zijn 2 gebeeldhouwde kruizen: een Frans en een Pisaans.
In 1258 bracht de verdeling van de Giudicato van Cagliari de gebieden van de "Curatoria di Decimo" (gebieden van de tienden), waaronder Uta, in handen van de Toscaan Gherardo della Gherardesca, graaf van Donoratico. De superioriteit van Pisa over de bewoners van Cagliari veroorzaakte een gunstige situatie voor de permanente aanwezigheid van de monniken uit Marseille in het klooster van Santa Maria. Zij verlieten het gebied en droegen de kerk en het klooster over aan de minderbroeders - de Franciscanen.
Na de verovering van het eiland, werden de antieke stad Uta Jossu, gelegen in de nabijheid van het huidige Uta, en Uta Susu, dat gebouwd was in de buurt van de kerk Santa Maria, toegewezen aan de "infante" Alfonso kind van de legerkapitein Berengario Carroz en werd daardoor deel van het grote domein van Quirra. Er waren erg weinig bewoners in de twee dorpen en rond 1584 raakte het gebied totaal ontvolkt. De enige menselijke aanwezigheid was die van de broeders van het klooster.
De Franciscanen onderhielden de kerk van Santa Maria tot aan de eerste decennia van de 17e eeuw, toen was er een levendige opbloei van het stadje Uta en dit verstoorde de dagelijkse gang van zaken van het klooster.Misschien is er ook nog een ander motief voor het verlaten van deze plek van verering door de monniken: namelijk de wens van de aartsbisschop van Cagliari om in het bezit te komen van deze schitterende tempel gewijd aan de Madonna.Het gebeurde inderdaad dat omstreeks 1640 de minderbroeders afstand deden ten behoeve van de aartsbisschop van de Santa Maria. Zij ontvingen in ruil de veel eenvoudiger laat-Romaanse kerk van Santa Barbara, die is gelegen op de gelijknamige heuvel enkele kilometers van Capoterra, een eigenlijk beter geschikte plek voor een gewijd kloosterleven.

De structuur van de kerk

Het godsdienstige gebouw is niet erg groot, maar ziet er toch evenwichtig uit en is rijk aan architectonische motieven. Gebouwd met vierkante bouwstenen van geaderde kalksteen, afkomstig uit de groeve van Teulada, en volgens de voorschriften van de middeleeuwse kerk met de hoofdingang georiënteerd-gericht op het westen en het tabernakel aan de oostzijde. Aan de realisatie werkten vermoedelijk zowel Pisaanse als Arabische werklieden samen.
De facade = voorgevel is horizontaal verdeeld in tweeën door een kroonlijst met Arabische invloeden, die rondom de hele kerk gaat. Het basamento = onderste deel is vertikaal verdeeld in drieën (volgens de indeling foto van het middenschip) door uitspringende pilasters van diverse breedtes. Twee series van rondom lopende hangende rechter zijwand boogjes, gesteund door verschillend gebeeldhouwde consoles vormen één geheel met de pilasters. Er bevinden zich vier boogjes links en vijf rechts, bijna alsof ze kracht bijzetten aan de harmonie van de ongelijkheid.
In het centrale deel van deze zijde, bevindt zich het portaal dat leidt naar het belangrijkste centrum van het middenschip. Het is samengesteld uit een monolitische architraaf (uit één stuk) die steunt op twee deurstijlen, doordat de boog is gemaakt van stenen van donker trachiet afgewisseld door witte kalksteen geeft deze een lichte indruk.
Een mooi opengewerkt roosvenster is geplaatst in het midden van de lunet, de twee kapitelen zijn in Corintische stijl. Een geometrische figuur, dat men ook terugziet op de diverse consoles, is gehouwen in de archivolte van de boog. Het bovenste deel van de facade wordt bekroond door hetzelfde motief aan de zeven boogjes. Afgezien van Provencaalse invloeden, heeft de facade een uitgesproken Pisaans karakter, dat vindt men ook terug in de kerk op de dekplaten van de geprononceerde zuilen en op de balken van het plafond in het middenschip. Het kruisgewelf van de campanile is in Gotische stijl.
De twee rijen bogen van de voorgevel, herhalen zich langs alle buitenmuren. Er zijn tweehonderd consoles met verschillende versieringen: bladeren , menselijke koppen, herten, kalfjes, rozetten en geometrische vormen. Het zijn oorspronkelijk Lombardische motieven die ook te zien zijn in de kerken van Santa Maria van Ardara en Trattalias, de San Antioco van Bisarcio en de San Lorenzo van Silanus. Uitspringende decoratieve pilasters, zonder regelmaat geplaatst, verdelen verticaal de zijwanden . In enkele gevallen staan deze pilasters niet op één lijn met de voetstukken van de bogen. Meer ordening vertonen de pilasters van de muren van de absis.
De plattegrond van de kerk is die van een basiliek met één absis, in de lengte verdeeld door drie middenschepen met booggewelven, gedragen door een reeks kolommen. Men veronderstelt dat deze zijn afgeleid van een antieke foto Romeinse of voor-christelijke tempel. In de zijbeuken ziet men twee marmeren leeuwen, die zich oorspronkelijk zijgevel met absis misschien aan de buitenkant bevonden. Drie treden geven toegang tot het priesterkoor, ten opzichte van de rest van de kerk dwingt deze verhoging respect af. Het altaar wordt gedragen door kolommen met kapitelen; deze zijn te vergelijken met die van de Santa Maria van Ardana. De nis van het altaar toont een afbeelding van de Heilige Maagd als wonderdoenster. De absis wordt afgedekt door een kap van een halve cirkel van natuursteen.
Tijdens herstelwerkzaamheden van het plaveisel werden opgravingen gedaan die de fundamenten aan het licht brachten van een kerk met dubbele absis - typisch voor de Vittorini. De plattegrond van deze tempel is aangegeven in het plaveisel door middel van tegels in verschillende kleuren.
In het centrale middenschip worden de dubbele dakvlakken) gedragen door houten dakspanten en elk van deze dakspanten wordt gesteund door twee consoles, altijd van hout. De linker zijbeuk vertoont een kleine deur die wanneer je erdoor gaat leidt naar een antiek romitorio = kluizenaarswoning en het ernaast liggende kerkhof.
Van de kloostergang is niets meer over, op die plek ontspringt een bron met wonderbaarlijke kracht. Een legende wil dat deze kracht zich openbaarde toen een zwaar zieke vreemde ridder verscheen bij de poortwachter van de kerk. Gaat u wassen en bidt, zei deze tegen de mysterieuze persoon. De ridder volgde deze opdracht op en hij genas. Vanaf dat moment werd de kerk een bedevaartsoord , speciaal tijdens het feest van de 8e september, als de geboorte van de Heilige Maagd Maria wordt herdacht.
In de rechter zijbeuk bevindt zich een deur, die "Porta Santa"wordt genoemd. Deze deur wordt alleen geopend tijdens het Giubileo = kerkelijk heilig jaar. Tijdens het jubeljaar van 2000 heeft de aartsbisschop van Cagliari, Ottorino Pietro Alberti, de kerk van Santa Maria van Uta geplaatst op de lijst van de aartsbischoppelijke bedevaartsplaatsen waar de trouwe gelovigen een aflaat kunnen verkrijgen. Op de 10e september van datzelfde jaar heeft bij het heiligdom van Nostra Signora di Monserrato (zo wordt de Madonna van Uta genoemd) het feest voor de zieken plaatsgevonden, hieraan werd deelgenomen door circa tweeduizend mensen. De misviering werd geleid door de aartsbisschop monseigneur Alberti, die woorden van troost heeft uitgesproken voor de talrijke zieken die in de kerk aanwezig waren.

Disegno
Tekening in perspectief van het interieur van de Santa Maria van Uta, uitgewerkt door Maria Freddi en overgenomen uit de monografie "La chiesa di S. Maria"

Bibliografie:
A.A: V.V., Il Medioevo, dai Giudicatie agli Aragonesi, in "Storia dei sardi e della Sardegna", Milano 1987. Angius V. in Casalis, Dizionario geografico, storico, statistico, commerciale degli stati di S.M. il Re di Sardegna, V.XXIII, Torino 1840, pp.472-495. Besta E., La Sardegna medioevale, Vol.I-Iim Palermo 1908-1909. Boscolo A., L' Abbazia di S. Vittore, Pisa e la Sardegna, Padova 1958. Boscolo A., La Sardegna bizantina e alto-giudicale, Sassari 1978. Casula F.C., La Storia di Sardegna, Sassari 1992. Day J., Villaggi abbandonati in Sardegna, Paris 1973, p. 30. De Logu R., La Sardegna romanica, in Ïl Ponte", anno VII, n. 9. Freddi M., La Chiesa di S.ta Maria du Uta, rilievo architettonico e commento storico, Roma 1953. Martini P., Storia ecclesiastica della Sardegna, Cagliari 1841. Scano D., Chiese medievali in Sardegna, Cagliari 1929. Scano D., Storia dell'arte in Sardegna dal sec. XI al sec. XIV, Sassari 1907. Tola P., Codex Diplomaticus Sardiniae, Torino 1861.

Vertaald door:
Ariane Stam en Amy Cafferata april 2005


barra.gif (1564 bytes)

Isola Sarda © 1997-2005 - Associazione Culturale Ciberterra - Responsabile: Giorgio Plazzotta
I contenuti appartengono ai rispettivi autori - Tutti i diritti riservati
The contents belong to the respective authors - All rights reserved